Tour de France

Verhalen uit de Tour

Tourglorie

Tourglorie

Elke dag op zoek naar een ander hotel, de ene keer is de matras te hard, de andere keer te zacht. Vaak zweet je letterlijk het bed uit. Elke dag weer de schone van de vuile was scheiden en daarna vele kilometers lang achter of voor het peloton jakkeren, dwars door de reclamekaravaan. Met je auto over de voeten van opdringerige toeschouwers in de cols rijden. Want je moet afstand nemen, de coureurs dalen op twee bandjes sneller dan jij met vier wielen aan kan. De Tour is een gekkenhuis. Voor iedereen. Maar wel een verslavend gekkenhuis.

Na drie weken jakkeren rest nog slechts de verwarring. Opluchting en spijt vechten om voorrang. Of je nu renner bent of volger, de Tour doet iets met je. De Tour maakt je wereldvreemd, want al die weken bestaat er niets anders meer dan de Tour. Pas eind december, als de kranten met hun jaaroverzichten komen, hoor je welke beroemdheden er in de maand juli zijn overleden.

Je hoort het elk jaar weer, als het circus op de Champs Elysées wordt ingepakt en opgeslagen. ‘Nooit, nee nooit, zien ze mij hier terug’. Collectief wordt gepast voor de complete chaos die de Tour is. Collectief wordt de afschuw uitgesproken over de almaar toenemende commercialisering en het gebrek aan die ouderwetse heroïek.

De ouderen verhalen over lang vervlogen tijden, over decennia dat wielrennen nog geen rekenwerk was, dat helden echte helden waren. Dichte wielen, triatlonsturen en medische begeleiding waren toekomstdromen. Die ouderen hekelen de nivellering in het cyclisme, het buitenproportionele aantal volgers, dat er voor zorgt dat er soms letterlijk met elkaar op de vuist wordt gegaan om het beste plaatje te schieten of de eerste reactie te noteren.

‘Adieu Tour’, roepen juist deze routiniers in het vak om het hardst, want vroeger was het allemaal beter, schoner, emotioneler, dramatischer. Maar als ze thuis zijn verandert dat ‘Adieu’ al snel weer in ‘Au Revoir’, want dan is het weer wennen om op straat te rijden zonder motorescorte, om te wachten voor rode stoplichten, uit te kijken voor tegemoetkomend verkeer en die wagen die van rechts komt, voorrang te geven. Dan liggen ook deze oudere volgers thuis even bij te komen van al die weken topstress en kunnen ze de rust niet vinden De adrenaline is immers gewend om als een T.G.V. door het bloed te razen. Om alert te zijn, vaak vijftien uur per dag, zeven dagen in de week. Van arbeidstijdverkorting hebben ze in de Tour nog nooit gehoord.

Thuis in de tuin doen de vingers dan aan droogzwemmen, maken tikbewegingen in het luchtledige. De tijd van het afkicken is aangebroken. In de oren galmt nog steeds het geluid van een voorbijrazend peloton, het geruis dat aan de film ‘Birds’ doet denken, het gefladder van duizenden vogels. Vloeken, schelden, tieren, het mag opeens niet meer. Al die gedragsregels die ruim drie weken aan de laars zijn gelapt, enkel en alleen voor dat ene doel, een verhaal of een foto, moeten opeens weer in acht worden genomen.

Als een beest is er geleefd. Douches werden, ondanks de penetrante zweetlucht, veel te vaak genegeerd, het eten werd, vanwege tijdnood, soms naar binnen gepropt en het drinken werd veel te snel achterover geslagen. Nadenkend over dit alles voelt de Tourvolger zich leeg, uitgezogen. Hij mist de koers en denkt aan de woorden van die Franse commentator Yves Berger, die zei dat de Tour ergens tussen de dieren en de goden staat, dat hij soms meer de een dan de ander is, soms ook allebei.

En opeens ziet de volger het dan weer voor zich. De coureur die in de cols inderdaad handelt als een dier dat door een instinct om te overleven wordt aangezet om te lopen, te rennen, te vechten. Dierlijk gedrag en goddelijke adoratie, Yves Berger heeft gelijk, het zijn de twee polen van het lot van de Tourrenner. Of het nu om een sprinter gaat of om een klimmer, hel en paradijs doorkruisen ieders pad. En bang voor de cols zijn ze allemaal.

Als een coureur in de mistige verten de bergen ziet liggen, de toppen in de wolken gehuld, slaat de schrik hem om het hart. Dan rilt hij en mompelt zachtjes ‘Mon Dieu’. Maar als hij tenslotte boven komt, is hij dicht bij de goden. Dan blijkt dat Yves Berger ook wat dat betreft de juiste woorden heeft gevonden, dat de Tour zijn Olympus heeft, zijn Pantheon, zijn Goden, zijn engelen, zijn aartsengelen en zijn gevallen engelen.

Een renner in de Tour moet vaak tot het uiterste gaan om vervolgens te zeggen ‘Ik heb gedaan wat geen enkel ander beest zou hebben gedaan’. Groot of klein, hij maakt deel uit van een elite, die zich onderscheidt door inspanning en lijden. De Tour is voor velen immers een religie. Een deelnemer hoeft alleen maar ‘ik was erbij’ te roepen om thuis, in eigen omgeving respect en bewondering af te dwingen.

‘Ik was erbij’, denkt ook de Tourvolger, die naarmate de Tourloze weken voorbij trekken, ongemerkt vaak, zelfs de gewone en de minder mooie gebeurtenissen voor zichzelf ombuigt in glorieuze momenten. De tijd ‘vertekent’ immers de herinnering, dus ook die aan de doldwaze schijnwereld vol tegenstrijdigheden en onmenselijk gedrag, die de Tour nu eenmaal is.

‘Adieu Tour’, klinkt het elk jaar in Parijs weer uit vele kelen. Maar een klein jaartje later is iedereen er weer bij. Ook in Rotterdam.

Comments are closed.

Tour de France © 2013. Theme Squared created by Rodrigo Ghedin.