Tour de France

Verhalen uit de Tour

Tourglorie 7

Stilgezwegen, maar niet vergeten: De slag bij Nîmes

Ook bij Le Grand Départ in Rotterdam zullen er weer mensen rondlopen die roepen dat vroeger alles beter was. Toen had je nog echte heroïek! Toen waren de renners nog goudeerlijke mannen van staal! Hoe ouder de verhalen, hoe mooier ze vaak worden ingekleurd. Maar van die brave renners van staal blijft niet veel meer over als we bij voorbeeld terug gaan naar de 2de Tour de France in het gedenkwaardige jaar 1904. Stilgezwegen, maar niet vergeten, dat is de bloedige confrontatie tussen renners en supporters in Nîmes.

Vele jaren later neemt de Vlaamse schrijver Jan Cornand in zijn boek ‘Onze reporter ter plaatse’ de lezer mee naar Alès, stadje in Frankrijk, waar de kinderen en kleinkinderen van de betrokkenen nog in geuren en kleuren kunnen vertellen over wat er zich in dat grijze verleden precies heeft afgespeeld. Volgens hen is het idee voor de slag ontstaan in het gemeentehuis. Daar werd het woord gevoerd door de burgemeester, een invloedrijk persoon, tevens kruidenier en bakker. Een man bovendien die het edele jeu des boules-spel tot in de toppen van zijn vingers beheerste.

Monsieur le Maire was de enige inwoner van Alès die in het bezit was van een telefoon. Via dat voor die tijd unieke instrument had hij zojuist contact gehad met een vriend uit Lyon. Die was bij de start van de tweede etappe van de Tour geweest en had daar in hoogsteigen persoon gezien dat Ferdinand Payan, de wielerheld van Alès en omstreken, niet meer mocht vertrekken. Payan had, zo luidde de lezing, een deel van de eerste rit per trein afgelegd. De twee commissarissen die dat hadden opgemerkt, had Payan met hun leven bedreigd. En enkele van de collega’s die protest hadden aangetekend, had hij de etenszakken afgenomen, en vervolgens getrapt en geslagen.

Kortom, de held van Alès was na al deze vergrijpen gediskwalificeerd en een spoedberaad op het stadhuis was dus alleszins op zijn plaats. ‘Voor zulke kleinigheden mag hij toch niet uit koers worden gezet’, schijnt Payans grootste supporter, ene Bébert, daar te hebben geroepen. De verontwaardiging moet groot geweest zijn, want deze Bébert herinnerde de burgemeester er ook nog aan, dat Payan een jaar eerder, in de eigen Grote Prijs van Alès, eerst twee renners van de fiets had geschopt en half kreupel had geslagen, vooraleer hij de thuiswedstrijd afgetekend en dus bijzonder fraai had gewonnen. ‘Toen kreeg hij toch ook geen straf’.

De burgemeester maakte Bébert er op attent dat diens tweelingbroer Coco de wedstrijdleider indertijd het mes op de keel had gehouden, maar Bébert begreep niet zo goed wat hij daar nou mee wilde zeggen. Want: ‘Je bent supporter of je bent het niet. Dus laten we met z’n allen naar Nîmes gaan en daar die coureurs die onze Payan hebben verraden zodanig aftuigen, dat ze niet meer weten aan welke kant van de kop hun moustache zit.’

De burgemeester maande Bébert nog tot rust, maar gaf wel zijn zegen aan de onderneming. ‘Gaan jullie maar. Sla er op los. Maar ik blijf hier, want een Maire is een Maire en dus moet ik mijn handen in onschuld wassen’.

En zo, leren we van Jan Cornand, vertrokken tenslotte drie dappere strijders van Alès naar het veertig kilometer verderop gelegen Nîmes, doorkomstplaats in de derde etappe van de Tour 1904. Bébert, Coco en Tonton waren trouwens niet de eersten, die het de renners die dag moeilijk zouden maken. Nog vóór Nîmes werd de karavaan al eens een keer opgehouden door supporters van André Faure. Het was de bedoeling dat deze Faure daardoor een half uur zou uitlopen, maar hij was die dag helaas niet in beste doen. De aanvallers waren bovendien niet sterk genoeg om het Maurice Garin (de winnaar van de eerste Tour) en de rest echt moeilijk te maken. Wedstrijdleider Lefèvre schoot een paar keer met zijn pistool in de lucht en het incident liep met een sisser af. Faure was al vóór Nîmes weer ingerekend.

Nee, dan zouden Bébert, Coco en Tonton het beter doen. Dachten ze. Ze blokkeerden de weg en waren vast van plan om de renners met hun blote vuisten en stokken eens goed het stof uit de truien te slaan. Van hard fietsen zou daarna niets meer komen. Het liep, zoals zo vaak in dergelijke verhalen, ietwat anders. De slag was kort maar hevig. Ogen werden dichtgeslagen, hier en daar brak een neus en bloed sijpelde uit menige hoofdwond. Maar de aanvallers kwamen er slechter vanaf dan de renners. Bébert, Coco en Tonton werden naar het ziekenhuis gebracht en daarna in de cel gezet. Pas twee maanden later doken de drie weer op in Alès. Waar ze, uiteraard, vertelden dat ze de slag glansrijk hadden gewonnen.

Overigens is dit een verhaal zonder echte helden. Want ook Maurice Garin, de kleine, vierkante ex-schoorsteenveger uit de Alpen, die net als de eerste ook de tweede Tour de France won, was niet bepaald iemand waar de heroïek van af droop. Later bleek immers dat hij, net als Ferdinand Payan, tijdens bepaalde gedeeltes van de etappes de trein had genomen. Zijn zege werd hem een paar maanden later dan ook ontnomen. Hetzelfde overkwam de nummers twee, drie en vier van het eindklassement: Louis Pothier, Garins broer César en Hypolite Aocouturier. Winnaar van de Tour 1904 werd uiteindelijk de nummer vijf: Henri Cornet.

Comments are closed.

Tour de France © 2016. Theme Squared created by Rodrigo Ghedin.