Tour de France

Verhalen uit de Tour

Tourglorie 3

Jan Janssen presteerde op speciale bandjes het onmogelijke

Joop Zoetemelk is ‘ambassadeur’ van de Tourstart in Rotterdam. Dertig jaar na zijn eindzege staat hij opnieuw in het middelpunt van de belangstelling. Maar de eerste Nederlander die de Ronde van Frankrijk op zijn naam schreef was natuurlijk Jan Janssen. Dankzij hem werd 1968 een uniek sportjaar. Waarin Jan Janssen in de afsluitende tijdrit op speciale bandjes het onmogelijke presteerde.

In de Tour van 1968 werd met landenploegen gereden. Nijdam en Van der Vleuten zaten bij Peugeot, Beugels fietste bij Mercier, Van der Horst en Stevens bij Caballero en Janssen bij Pelforth. De coureurs uit de verschillende ploegen moesten naar elkaar toegroeien, daarom gingen ze in de weken voor de start een paar middagen bij elkaar zitten. Ab Geldermans was de ploegleider die het team op één lijn moest zien te krijgen. Een van de bindmiddelen: Iedereen wilde geld verdienen en met Jan Janssen als kopman kon dat.

Toch verliep die Tour aanvankelijk desastreus voor Oranje. Jos van der Vleuten en Huub Zilverberg zaten al snel weer thuis. Nederland joeg tevergeefs op ritzeges. En de Belg Georges Vandenberghe fietste twaalf dagen in het geel. Na de eerste Pyreneeën-etappe had Nederland nog maar vier man in koers. Janssen raakte in de rit over de Aubisque en de Tourmalet bovendien op achterstand. ‘Dit is geen lijden meer, dit is sterven’, kreunde hij.

Met behulp van Evert Dolman kwam in de veertiende etappe de kentering. Janssen won en ging in de Alpen, waar Herman van Springel de leiding pakte, steeds beter rijden. Tenslotte kwam dus die historische slottijdrit. Van Springel had zestien seconden voorsprong. In theorie waren er nog zeven kanshebbers. Jan Janssen werd hooguit de derde plaats toebedacht.

John Krijnen was in die tijd de materiaalman van de ploeg. Hij herinnert zich nog precies wat er allemaal aan die race tegen het uurwerk vooraf ging. ,,Jan was als coureur echt een nerveus manneke. Hij kon nijdig om zich heen kijken, zat vaak aan zijn fiets te frunniken, controleerde alles heel zorgvuldig en keer op keer. Er moest iets speciaals gebeuren met die fiets, daar waren we ons allemaal van bewust. Zo werd er veel gediscussieerd over de te kiezen versnelling. Jan reed meestal met een voorblad van 52 tandjes, Van Springel zat altijd groter. Jan is daarom tenslotte maar van zijn geloof afgestapt en ik heb toen ook een blad van 53 gemonteerd.’’

,,Voor de rest reden de mannen in die tijd op gewone fietsen. De uitvindingen van dichte wielen, ossenkopsturen, driespaaks- en vijfspaakswielen zat nog slechts in de hoofden van de ontwerpers. Ja, we hadden wel zes paar lichte wielen bij ons. Daar zaten 28 spaken in. Als je daar dan ook nog eens bandjes van 220 gram op zette was je al spekkoper.’’

Er was nog iets speciaals aan de hand met die bandjes. ,,Het waren net condoompjes,’’ zegt de coureur er zelf, anno 2010, over. ,,Ze waren uniek, van zijde. De binnenband was van latex. Je pompte er tien atmosfeer in en ze liepen als een trein. Ik durfde het eerst niet aan, was bang dat ik er te snel lek op zou rijden. Maar de fabrikant achtervolgde me al dagen en bleef maar aandringen. Uiteindelijk besloten we het risico maar te nemen. Ik stond achter, had niets te verliezen en alles te winnen.’’

En winnen deed hij. Op de speciale bandjes presteerde Jan Janssen het onmogelijke. De man die drie keer de groene trui won, de coureur die zich ontwikkelde van een sprinter tot een Ronderenner, bleek die dag ook een onnavolgbare tijdrijder te zijn. Op 21 juli 1968, in een race tegen het uurwerk van 54,7 kilometer, reed hij 54 seconden sneller dan Herman van Springel. In het eindklassement had Jan Janssen een voorsprong van 38 tellen.

Hij is er van overtuigd dat hij zijn succes voor een deel heeft te danken aan zijn speciale bandjes. ,,Ik noem het maar ‘de zingertjes’, want ze maakten ook een prachtig geluid. Ik denk dat ze me een winst van vijf seconden per kilometer hebben opgeleverd. Jammer genoeg ging de Franse fabrikant later failliet. Ze waren eigenlijk te duur om in grote aantallen te produceren.’’

Materiaalman John Krijnen denkt dat de winst hem niet alleen in die bandjes, maar zeker ook in het hoofd zat. ,,En de benen natuurlijk. Je kunt wel allerlei mooie berekeningen maken over wat voor voordeel je met die bandjes had, dat zal ook wel kloppen, maar als de benen niet goed zijn kun je erom leggen wat je wil, dan verlies je toch.’’

‘Cora, waar is ze, mensen laat me, ik heb gewonnen, waar is mijn vrouw’? Brokstukken van ongecontroleerde vreugde werden die dag opgetekend. Huilend viel Jan Janssen tenslotte in de armen van zijn vrouw en dochtertje. Beugels, Dolman en Den Hartog, de drie overgebleven Oranjerijders, bekeken het met uitgelaten enthousiasme. De Tourzege van Jan Janssen hield in dat zij 40.000 gulden mochten verdelen.

En materiaalman John Krijnen? Wat deed die op dat voor velen zo belangrijke en emotionele moment op en rond de wielerbaan van Vincennes? Hoe hield hij zich overeind in het feestgewoel, in de gekte rond de eerste Nederlandse eindwinnaar in de Tour de France? ,,Ach, bij mij was het spullen inladen en wegwezen. Ik was om elf uur ’s avonds alweer thuis in Nederland. Niet wij, de begeleiding, niet het materiaal, maar Jan Janssen zelf had die prestatie immers neergezet en ik hield me liever op de achtergrond. Toch deed het me best wel veel. Het gaf me vooral een heerlijk gevoel van: “Ik was erbij’’!

Comments are closed.

Tour de France © 2014. Theme Squared created by Rodrigo Ghedin.