Tour de France

Verhalen uit de Tour

Tourglorie 2

Per ongeluk in de gele trui

De renner die in Rotterdam na afloop van de proloog de gele trui krijgt omgehangen, zal die avond ook door zijn ploeggenoten worden bejubeld. De zege brengt immers alvast wat geld in het laatje van het team en het maakt dan even niet uit of de drager de kopman van de ploeg is of niet. Heel anders was dat die keer dat Rini Wagtmans zijn eerste en enige gele trui mocht ophalen.

De proloog van de Tour van 1971 was een ploegentijdrit. Die werd, zoals verwacht, gewonnen door het machtsblok Molteni, de equipe van Eddy Merckx. De volgende dag stonden er maar liefst drie ritten gepland en in de eerste ging het meteen al mis. Rini Wagtmans weet het nog maar al te goed. ‘Merckx lag in de gele trui op de massagetafel toen opeens Tourbaas Felix Lévitan binnen kwam. Die zei: Eddy, doe maar uit die trui, u staat in tijd weliswaar gelijk met uw ploegmaat Wagtmans, maar die is in de massaspurt van zojuist voor u geëindigd en heeft derhalve meer punten.’

‘Merckx was woedend. Hij vond dat hem groot onrecht werd aangedaan. Ik ben in het volgende ritje daarom maar in mijn gele trui in mijn eentje achter het peloton gaan rijden, heb me bewust laten lossen om die trui weer aan Eddy kwijt te raken. Eigenlijk was de enige gele trui die ik ooit heb gewonnen dus gewoon een vergissing. Al had ik er wel heel hard voor moeten rijden. In die ploegentijdrit haalden we een gemiddelde van 51 kilometer per uur.’

Rini Wagtmans, nog dagelijks betrokken bij de wielersport en ook een regelmatige bezoeker van de Tour, kan er zoveel jaren later wel om lachen. Al was Merckx nog zo boos, velen zagen er ook toen al wel de humor van in. Humor, die, volgens Wagtmans, vandaag de dag nauwelijks meer is te vinden in het peloton. ‘Wij waren boefjes, ongedwongen, puur. Eind jaren zeventig kwam daar verandering in. Toen kwamen er renners die boeken lazen, die intellectueel waren. Daarna kwamen internet en de mobiele telefoontjes. Renners gaan na een etappe nu hun eigen ding doen. In mijn tijd was er niets en moest je als ploeg wel bij elkaar blijven hangen.’

‘De coureurs staan ook veel meer onder druk tegenwoordig. Het is allemaal bloedserieus geworden. Ze krijgen zelfs mediatraining. Als je eens wist wat wij allemaal hebben uitgespookt. Het was vaak lachen, gieren en brullen. Ik weet nog dat René Pijnen en ik in de Ronde van Spanje een stripteasebar bezochten. We sliepen in een hotel met een plat dak en zijn stiekem uit het raam geklommen. Zo langs de regenpijp naar beneden. Stilletjes gingen we vooraan in de zaal zitten. Toen de show was afgelopen, klapten we onze handen stuk en ging opeens het licht aan. Oei. Om ons heen zat zowat de hele volgkaravaan, ploegleiders, organisatie, iedereen. Als je dat nu zou flikken word je meteen ontslagen en kun je het verder wel vergeten. Maar onze ploegleider Ton Vissers nam het meteen voor ons op. Die verzekerde de organisatie dat we er de volgende dag in zouden vliegen, dat we in de etappe voor vuurwerk zouden zorgen. En dat deden we dan ook.’

De leuke dingen in de marge van de wielersport. Rini Wagtmans draagt het verleden niet als een loodzware last met zich mee. Geen frustrerende herinneringen aan te lang en vooral te vroeg vervlogen tijden, want hij moest toch noodgedwongen al vóór zijn tijd afstappen. Een ontstoken spier in de rechterhartkamer maakte in 1973 een einde aan zijn loopbaan. Jaren later, in 1987, zag hij trouwens nog een keer de dood voor ogen, toen een automobilist, twee kilometer voor het huis van Joop Zoetemelk in Frankrijk, geen voorrang verleende en frontaal tegen de wagen van Wagtmans botste.

Het heeft de waaghals, die tot ontsteltenis van de pastoor in Sint-Willebrord al op tienjarige leeftijd door de dakgoot van de kerktoren liep, niet veranderd of voorzichtiger gemaakt. ‘Als ik geen coureur was geworden, was ik waarschijnlijk stuntman geworden’, zegt Wagtmans, die als renner vooral beroemd werd vanwege de doodsverachting waarmee hij zich in de afdalingen van de cols stortte. Het leverde hem de titel “beste afdaler ter wereld” op.

‘Ik durfde inderdaad altijd alles, maar ik wist wel steeds waar mijn limiet lag. Ik ging in die tijd altijd op vakantie in Frankrijk. Dan reed ik met een busje over alle cols. Elke afdaling kende ik als mijn eigen huiskamer. Ik maakte er een hele studie van. Met lef alleen kom je er niet. Kennis van hetgeen je doet is van wezenlijk belang.’

‘Ik had het er pas nog met Erik Breukink over. Want eigenlijk snap ik niet waarom er zo weinig aandacht wordt besteed aan afdalen. Wielrennen is een sport geworden die op een ongelofelijk technische manier bedreven wordt. Kijk alleen maar eens naar het sprinten. Zo’n treintje rond Marc Cavendish. Dat is een gevolg van urenlange analyses, televisiebeelden bekijken, telkens maar weer bestuderen, van millimeter tot millimeter, en daarvan leren.’

‘Met de beklimmingen is het niet anders. Ploegen gaan het parcours verkennen, bekijken elke bocht, weten alle stijgingspercentages. Waar kan de slag geslagen worden, waar moet ik blijven zitten of juist aanvallen? Alles wordt vooraf onder de loep genomen en bestudeerd, behalve de afdaling. Op de een of andere manier heeft men daar geen interesse voor, terwijl er daar toch ook veel valt te winnen of verliezen.’

‘Joop Middelink heeft mij het belang van afdalen geleerd. Dan wist ik bijvoorbeeld dat er in een bepaalde bocht een putdeksel lag. Als je daar vol overheen rijdt, raak je uit je evenwicht en verlies je tijd. Maar als je juist al voor de bocht remt, kun je om die putdeksel heen en kom je uiteindelijk met een hogere snelheid die bocht weer uit. Het gaat niet alleen om snelheid tijdens het afdalen, maar om gepaste snelheid. Pas je de snelheid aan de route aan, dan kun je uiteindelijk een beter gemiddelde halen. Maar daar is dus wel kennis van de omgeving voor nodig.’

Zonder kennis stortte Wagtmans zich na zijn wielerloopbaan wel in het zakenleven. Met succes. Geld verdienen is hem altijd goed afgegaan. Ook als coureur. In 1972 bedroeg zijn jaarsalaris 100.000 gulden, in een tijd dat hij voor zijn eerste huis nog geen 28.000 gulden hoefde te betalen. Wagtmans reed dat jaar echter voor geen meter. Hij kon de stress die dat enorme salaris met zich meebracht niet aan. Daarom ging hij naar de sponsor en zei: zet een kwart van mijn wedde op een aparte bankrekening en als het de rest van het seizoen ook niets wordt, mag je het houden. Pas als ik een Touretappe win wil ik het weer hebben.’

Toen kwam de rit naar Auxerre. Over 325 kilometer. ‘Ik had tot op dat moment werkelijk nog geen platte prijs gereden. De ploegleider wilde me al naar huis sturen. Maar opeens begonnen de benen goed te draaien. Ik reed 120 kilometer voorop. Nog 5 kilometer, het peloton was tot op tien seconden genaderd. Kansloos dus. Maar opeens lachte het geluk me toe. Een gevaarlijke afdaling, met van die kinderkopjes. In de regen ook nog eens. Tja, dat was wel aan mij besteed. Ik hield acht seconden over. En deze keer jubelde de hele ploeg met me mee. Heel anders inderdaad dan die ene keer dat ik de gele trui won.’

Comments are closed.

Tour de France © 2013. Theme Squared created by Rodrigo Ghedin.